Interview Lionel Shriver: ‘Wat zijn de grenzen van je verval?’

De Amerikaanse auteur Lionel Shriver is geroemd om haar romans die maatschappelijke onderwerpen behandelen waarover een sluier van ongemak hangt – denk maar aan We moeten het even over Kevin hebben. Zo ook in haar nieuwste roman, Tot de dood ons scheidt, waarin een ouder echtpaar de tand des tijds voor wil zijn en een zelfmoord beraamt.

Door Martijn van Bruggen

De Britse Kay en Cyril Wilkinson maken als vijftigers de afspraak om samen uit het leven te stappen als Kay de leeftijd van tachtig bereikt. Kay heeft haar vader als mantelzorger zien aftakelen door alzheimer, en Cyril vindt de zorgkosten die bejaarden vragen belachelijk. Maar dan, voor ze het weten, nadert Kay’s tachtigste verjaardag met rasse schreden. Blijven ze bij hun pact? In dertien hoofdstukken met twaalf alternatieve eindes van dit vraagstuk verkent Shriver de pijnpunten van ouderdom, aftakeling en de wil om regie te houden over je leven.

Deze discussie over het feit dat men ouder en ouder wordt en veel vraagt van naasten en de gezondheidszorg, lijkt nooit echt van de grond te komen. Waarom is dat?
‘Vooropgesteld, op deze schaal is het een nieuw probleem. Vroeger werden we niet oud, we gingen gewoon dood. Halverwege de negentiende eeuw was de levensverwachting veertig jaar. Vandaag de dag zijn er veel mensen die niet eens een gezin vormen voor hun veertigste. Dit is een biologische revolutie. Ik denk dat we het nog niet verwerkt hebben, niet emotioneel, niet sociaal en niet economisch. Ik denk ook dat er een bepaalde nervositeit is over het lijken te impliceren dat ouderen een ondraaglijke last zijn, dat ze al dood zouden moeten zijn. Dat is een van de gevaren van mijn roman: door de gesprekken tussen het koppel in mijn boek zou je de misinterpretatie kunnen opdoen dat de auteur vindt dat alle mensen van boven de tachtig zichzelf zouden moeten doden.’

Zoals Kay in het boek opmerkt: het lijkt op het bezorgen van een schuldgevoel aan de alleroudsten dat ze leven?
‘Juist, en dat is zeker niet mijn intentie, maar ik denk wel dat we uiteindelijk de vraag moeten stellen welke leeftijd we verdraaglijk vinden. Te weinig mensen maken plannen voor hun oude dag. We zouden het moeten benaderen als andere delen van ons leven: in onze jeugd proberen we te bepalen wie we als volwassene willen zijn; als jongvolwassene beslissen we of we kinderen willen, welke baan we willen, et cetera. Natuurlijk gaat niet alles volgens plan, maar we hébben plannen. Ik wil niet noodzakelijkerwijs pleiten voor zelfmoord, maar ik zou graag willen dat we op een punt komen waarop iedereen kan definiëren wanneer je verdere medische behandelingen zou afwijzen, wat de grenzen zijn van je verval.’

‘Ik ben een van die mensen die graag haar eigen augurkpotten opent.’

En als we dat niet doen? Als we geen keuzes maken?
‘Dan ben je aan niets anders overgeleverd dan geluk. Er zijn enkele gelukkige mensen die tot hun negentigste overleven in goede gezondheid, geen permanente pijn hebben, nog steeds mobiel zijn, nog steeds een actief sociaal leven hebben. Maar daar zijn er niet veel van. Er zijn veel dingen om voor te vrezen – ik vrees ze. Cognitieve achteruitgang staat bovenaan mijn lijst, lichamelijke achteruitgang volgt zonder meer: ik ben graag lichamelijk capabel. Ik ben een van die mensen die graag haar eigen augurkpotten opent. We kunnen daar weinig aan doen, dat zie ik ook in, maar het is het zeker waard om erover te praten. Wat me niet bevalt is de ontkenning die erg gebruikelijk is in mijn generatie. Ik ben geboren in 1957 en dat maakt mij een babyboomer. Mijn generatie heeft zichzelf overtuigd dat ze niet oud wordt en sterft, als we maar veel oefeningen doen en onze groentes eten. We zullen er eeuwig zijn en ook in perfecte gezondheid. Natuurlijk is dit belachelijk. Maar mijn generatie is niet voorbereid op ouderdom. We geloven niet dat het onvermijdelijk is.’

Waarschijnlijk zal dat bij mijn generatie (1999) ook zo gaan. Misschien praten we gewoon niet graag over de dood?
‘Natuurlijk. Er moet een diep psychologische, biologische imperatief zijn om je eigen sterfelijkheid te ontkennen. Ik weet zelfs niet of iemand zoals ik, die zich er in zijn fictie op richt, werkelijk de realiteit onder ogen kan zien dat hij of zij doodgaat: the great abstraction, het grote mysterie.’

Heeft het uzelf verplaatsten in Kay en Cyril, die weten dat ze snel doodgaan, u dankbaarder gemaakt voor uw eigen leven?
‘Ja, als het iets heeft gedaan is het me dankbaarder maken. Ik ben dankbaar dat ik nog geen tachtig ben. Aan de andere kant heb ik ook meer sympathie voor de mensen die een generatie ouder zijn dan ik, zoals mijn eigen ouders. De ervaring van heel oud worden moet verontrustend zijn. Het is bijna alsof je beroofd wordt. Ik ben erg ontnuchterd door het feit dat ik tachtig zal zijn binnen zestien jaar. De laatste zestien jaar zijn razendsnel voorbij gegaan, en de komende zestien jaar zullen nog sneller voorbij gaan. Het is om de hoek. Ik heb moeite om mijn hoofd erom te steken, maar het is waar. Op een bepaalde manier ben ik iedereen aan het waarschuwen: “Ook voor jou is het om de hoek!”.’

Lionel Shriver, Tot de dood ons scheidt, vertaling: Karina van Santen en Marian van der Ster, Uitgeverij Atlas Contact, 336 pagina’s (€ 22,99)

Dit interview verscheen eerder in de Boekenkrant, editie augustus 2021.   
Benieuwd geworden? Bestel dit boek bij uw lokale Boekenkrant-boekhandel. Kijk hier voor een overzicht. 

Berichten gemaakt 5329

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven