Boekfragment: Melkmeisje

In Melkmeisje, de nieuwe historische roman van Matthias Rozemond, komt het wereldberoemde schilderij van Johannes Vermeer tot leven in zeventiende-eeuws Delft.  

Februari 1657 
Een snijdend koude februaridag, de Markt ligt er verlaten bij. Geen wonder, hij ziet nog wit van de vorige hagelbui terwijl de donkere hemel al een volgende lading aankondigt. Ik sla mijn kraag omhoog en glibber naar de overkant. Ik moet niettemin moed verzamelen om die herberg binnen te gaan, voor het eerst in mijn leven.
Ik ben amper over de drempel of iemand vraagt of die ver­domde deur dicht kan.
Het staat blauw van de rook. Ik onderscheid groepjes dob­belende mannen. Twee meiden zijn met bier onderweg van de ene tafel naar de andere. Ze nemen me kort op, stellen vast dat ik hier niet thuishoor en gaan verder met bedienen. Een derde heeft de handen amper leeg of ze wordt bij zo’n kerel op schoot getrokken. Een gilletje volgt, daarna gebulder bij de hele kring.
Mechelen is een herberg waar je volgens de verhalen meer kunt kopen dan alleen bier en worst. Liefde of wat daarvoor moet doorgaan, loten voor de trekking, en je kunt hier je toe­komst laten lezen, hoe je wilt, in je geopende hand of een flesje meegebrachte pis. Iedere Delftenaar heeft zijn mening klaar over Mechelen.
Ik kom voor de schilderijen, die gaan hier net zo goed in de verkoop. Het duurt een paar tellen, dan heb ik door waar ze hangen. Daar, links achter die rij ruggen en schouders.
Nu zal ik dat doek van Johannes met eigen ogen zien ook.
Kijk, daar heb je IJsbeer, die komt even snuffelen. IJsbeer is een hond. De naam zegt meer over Johannes’ familie dan over het beest, want dat is mak en ongevaarlijk. Hooguit log uitgevallen.
Bij het laatste tafeltje draait een kerel net een kwartslag opzij, steekt zijn been uit en laat zijn laars met sporen op een naastge­legen kruk rusten. Doorgang versperd. Pas als ik inhoud neemt hij de moeite om op te kijken van zijn speelkaarten.
‘Waarheen ben jij onderweg, juffrouw, zo helemaal alleen?’
Ik kijk naar een bolle kop, half kaal, met roze spekwangen en een vreemde plooi bij de neuswortel.
Moet ik dat smalende toontje pikken? Het middaguur heeft nog niet geslagen of deze kerels zijn al hard op weg om ladder­zat te worden. Drinken en kaarten, in plaats van zich nuttig te maken zoals ieder ander.
Ik kan natuurlijk gewoon doorlopen en dat been opzijduwen, maar dan heb je de poppen aan het dansen. Ik ken het soort, daar verandert zijn vreemde tongval – ergens uit het oosten van het land? – niets aan. Straks loopt hij brutaalweg achter me aan, en als ik pech heb met zijn kornuiten in het kielzog, want ja, dan heb ik hem uitgedaagd.
Nee, mijn halve uurtje middagpauze is me dierbaar, ik zal dit anders moeten oplossen. Eerst maar netjes vragen of ik erdoor mag. Lukt dat niet, dan neem ik alsnog een omweg.
Een tafelgenoot van meneer de praatjesmaker haalt de pijp uit zijn mond, blaast kalm een wolkje en roept dat Gert – kijk aan, mijn belager heeft een naam – moet bijspelen. Dat het gelag anders voor zijn rekening is. Die woorden vinden instemming bij de twee anderen.
Kale Gert werpt een geduldige blik op de drie ruitens op tafel en het leitje met krijt ernaast, besluiteloos, zo lijkt het. 

Matthias Rozemond, Melkmeisje, Uitgeverij Luitingh-Sijthoff, 240 pagina’s (€ 23,99)

Deze recensie verscheen eerder in de Boekenkrant, editie februari 2023.
Benieuwd geworden? Bestel dit boek bij uw lokale Boekenkrant-boekhandel. Kijk hier voor een overzicht.

Berichten gemaakt 5319

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven