Column Lex Jansen: Louis Couperus is nooit weggeweest

Tijdens mijn middelbareschooltijd ging ik naar het Montessori Lyceum in Zeist. Als je door de hoofdingang binnenkwam, lag de aula rechts van je. Het was een grote, open ruimte met een verhoogd toneel. Er stonden vrij veel tafeltjes en stoelen, want behalve in het stiltelokaal kon je ook hier tijdens de vrije werkuren je tijd besteden zoals je dat zelf het liefste wilde. Als het maar iets te maken had met een van de vakken op je rooster. Dikwijls zette ik een tafeltje tegen het raam en sloeg ik een van de metershoge gordijnen om me heen. Met het geroezemoes achter me, was ik hier helemaal alleen. Heerlijk vond ik dat. De surveillanten kwamen al snel niet meer kijken wat ik daar uitspookte, want ze hadden wel door dat ik de beste manier gevonden had om mijn hartstocht voor lezen te kunnen botvieren. Nog zó goed herinner ik me dat ik daar in de Amstelpaperback-editie de roman Metamorfose van Louis Couperus las en herlas. Het is een sterk autobiografisch verhaal over een jongeman die schrijver wil worden, maar zo vol twijfels zit over letterlijk alles in het leven, dat hij zijn draai maar niet kan vinden. Een paar jaar later kreeg ik van mijn ouders het Verzameld Werk van Couperus. En eind jaren tachtig las ik de Couperus-biografie, geschreven door Fréderic Bastet. Dat boek heb ik toen ervaren als een ontdekkingsreis. Ik leerde niet alleen Couperus kennen, maar ook de werelden waarin hij leefde.

De dag waarop ik deze column schrijf, is het precies honderd jaar geleden dat Couperus stierf. Het kan niemand ontgaan zijn. In alle grote kranten hebben wel stukken gestaan, maar ook los daarvan is er veel aandacht voor zo niet de beste, dan toch een van de beste schrijvers van ons land. Bij Bastet leerde ik dat Metamorfose bij publicatie bepaald geen succes was en dat het slechts één druk beleefde. En dat was dan ook nog een zeer bescheiden oplage. Als iemand zolang dood is, merk je dat de waardering met betrekking tot zijn werk verandert. Van de vaak negatieve kritiek aan het begin van de vorige eeuw was in de jaren zeventig niets meer te merken. In de Boekenweek van 1974 verscheen het geschenk Als ik, bijvoorbeeld, de geest van mijn moeder op het bed zag zitten, samengesteld door Karel Reijnders, en ook nog de beroemd geworden titel Zo ik iets ben, ben ik een Hagenaar, samengesteld door Kees Fens. Het werk van Couperus werd inmiddels unaniem gewaardeerd, ook door een groot publiek. Onlangs verscheen een geïllustreerde biografie, door Caroline de Westenholz, en ook Angst en schoonheid. Louis Couperus, de mystiek der zichtbare dingen, door Bas Heijne. Ik zou maar wat graag mijn plekje in de aula weer innemen, veilig achter het hoge gordijn, en lezen.

Deze column verscheen eerder in de Boekenkrant, editie augustus 2023.
Benieuwd geworden? Bestel dit boek bij uw lokale Boekenkrant-boekhandel. Kijk hier voor een overzicht.

Berichten gemaakt 5315

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven