Boekfragment: Machines zoals ik

Na het succes van de verfilmde roman De kinderwet confronteert Ian McEwan in Machines zoals ik de lezer opnieuw met fundamentele vraagstukken.

Uiteindelijk zat hij naakt aan mijn minuscule eettafel, met de kartonnen en piepschuim verpakking om zijn enkels verspreid en zijn ogen dicht, terwijl er een zwart snoer van het contactpunt in zijn navel naar een dertienampèrestopcontact in de muur liep. Het zou zestien uur duren om hem aan de praat te krijgen. En dan nog de downloadsessies van updates en persoonlijke voorkeuren. Ik wilde hem nú, en Miranda ook. Als hunkerende jonge ouders verlangden we naar zijn eerste woordjes. Er zat geen goedkope luidspreker in zijn borst verscholen. Uit de opgewonden publiciteit wisten we dat hij klanken vormde met adem, tong, tanden en gehemelte. Zijn levensechte huid voelde nu al warm aan en zo glad als die van een kind.
Volgens Miranda zag ze zijn wimpers knipperen. Ik wist zeker dat ze de trillingen zag van de metrotreinen die dertig meter onder ons reden, maar ik zweeg.
Adam was geen seksspeeltje. Maar hij was wel tot seks in staat en bezat werkzame slijmvliezen, waarvan het onderhoud dagelijks een halve liter water vergde. Toen hij aan tafel ging zitten, merkte ik op dat hij niet besneden was, gemiddeld geschapen, met overvloedig donker schaamhaar. Dit zeer geavanceerde model van een kunstmatige mens weerspiegelde vermoedelijk de begeerten van zijn jonge programmeurs. De Adams en Eva’s moesten levendig zijn, was de gedachte. […]
Ik liet een half uur voorbijgaan voordat ik weer bij hem ging kijken. Geen verandering. Nog altijd aan de tafel, met zijn armen recht vooruit gestoken en zijn ogen dicht. Maar ik meende dat zijn gitzwarte haar iets was opgebold en een zekere glans gekregen had, alsof hij net onder de douche was geweest. Toen ik dichterbij kwam, zag ik tot mijn vreugde dat hij weliswaar niet ademde, maar dat er ter hoogte van zijn linkerborst gestaag en kalm een regelmatige hartslag klopte, zowat eenmaal per seconde naar mijn onervaren schatting. Wat een geruststelling. Hij had geen bloed om rond te pompen, maar deze simulatie had haar uitwerking. Mijn twijfel verflauwde ietsje. Ik had zelfs een beschermend warm gevoel jegens Adam, ook al wist ik hoe onzinnig dat was. Ik stak mijn hand uit en legde die op zijn hart en voelde de kalme, jambische slag tegen mijn handpalm. Ik besefte dat ik zijn persoonlijke ruimte schond. Het was niet moeilijk om in deze levensfuncties te geloven. De warmte van zijn huid, de stevige soepelheid van de spieren eronder – mijn verstand zei plastic of zoiets, maar mijn tastzin reageerde op vlees.
Het was griezelig om bij die naakte man te staan, heen en weer geslingerd tussen dat wat ik wist en wat ik voelde. Ik liep achter hem om, deels om buiten het bereik te zijn van ogen die elk moment open konden gaan en mij dan boven hem zouden zien torenen. Hij was gespierd om zijn nek en ruggengraat. Langs zijn schouderlijn liep donker lichaamshaar. Zijn billen vertoonden gespierde holten. Daaronder de bekabelde kuiten van een sportman. Ik hoefde geen superman. Ik betreurde het eens te meer dat ik te laat voor een Eva was geweest.

Boekgegevens

Ian McEwan, Machines zoals ik, vertaling: Rien Verhoef, Uitgeverij De Harmonie, 416 pagina’s (€ 24,90)

Dit boekfragment verscheen eerder in de Boekenkrant, editie 6 mei 2019.

Berichten gemaakt 5329

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven