Boekfragment: De vrouwen van Vardo

Op een ijskoud, donker eiland jagen mannen op heksen en vechten vrouwen terug. Een adembenemend verhaal over liefde, angst, obsessie en de kracht van vrouwen. 

De storm kwam als een vingerknip. Dat is wat ze zullen zeggen in de maanden en jaren erna, wanneer hij meer is geworden dan alleen maar pijn achter de ogen en een verpletterend gewicht diep in de keel. Wanneer hij eindelijk in verhalen past. Zelfs dan wordt er niet verteld hoe het echt was. Soms schieten woorden tekort: ze geven te gemakkelijk vorm, te achteloos. En er was niets genadigs, niets gemakkelijks aan wat Maren zag. 

Die middag ligt het beste zeil als een deken uitgespreid in haar schoot, mama en Diinna zitten aan de andere hoeken ervan. Hun kleinere, meer bedreven vingers maken kleinere, meer bedreven steken in de scheuren die de wind heeft gemaakt, terwijl zij stukjes stof lapt over de gaten waar het zeil aan de mast had vastgezeten. 
Naast het vuur ligt een stapel witte dopheide te drogen, die haar broer Erik heeft afgesneden en meegenomen van de lage berg op het vasteland. Morgen, later, zal mama haar drie handenvol geven voor in haar kussen. Ze zal die in stukjes scheuren en met aarde en al in haar sloop stoppen, de geur van honing bijna misselijkmakend na maandenlang alleen de muffe geur van slaap en ongewassen haar. Ze zal hem tussen haar tanden nemen en schreeuwen, tot haar longen piepen van de zoete aardse geur. 

Nu gebeurt er iets wat haar doet opkijken en ze draait zich naar het raam. Een vogel, donker tegen het donker, een geluid? Ze staat op om haar benen te strekken, om naar de baai te kunnen kijken, plat en grijs met daarachter de open zee, koppen van golven die glinsteren als gebroken glas. De boten ertussen zijn nog vaag te herkennen aan hun twee kleine lichtjes, boeg en achtersteven, nauwelijks knipperend. 
Ze denkt even dat ze tussen al die boten die van papa en Erik weet te herkennen, met het op een na beste zeil strak opgetuigd aan de mast. Het horten en stoten van het roeien, ruggen naar de horizon gekeerd. Daarachter gaat de zon schuil, nu al een maand verdwenen en dat zal nog een maand zo blijven. Vanaf daar kunnen de mannen de vertrouwde lichten nog zien schijnen uit de open ramen van Vardø’s huizen, die verloren staan in hun eigen zee van zwakverlicht land. Ze zijn al voorbij de rots in de zee voor de kust van Hornøya, bijna bij de plek waar eerder die middag een school vissen was gezien, opgeschrikt door een walvis. 

‘Die is allang weer weg,’ had papa gezegd. Mama is erg bang voor walvissen. ‘Hij heeft zijn buik al lang en breed volgegeten tegen de tijd dat Erik ons die kant op heeft geroeid met die graatmagere armen van hem.’ 

Erik zei niets en boog zijn hoofd, hij kreeg van mama een kus en van zijn vrouw Diinna een duim tegen zijn voorhoofd. De Samen zeggen dat dit gebaar een draad spant waarmee de mannen op zee weer terug naar huis worden gehaald. Hij liet zijn hand even op haar buik rusten, waardoor de zwelling wat duidelijker te zien was door haar gebreide tuniek heen. Ze duwde zijn hand zachtjes weg. 
‘Je wekt het nog op zo. Laat het met rust.’ 
Later zou Maren wensen dat ze was opgestaan en hen allebei op hun ruige wang had gekust. Ze zou wensen dat ze hen had nagekeken toen ze naar het water liepen in hun aan elkaar genaaide zeehondenhuiden, haar vader met zijn vermoeide tred en Erik achter hem aan sloffend. Ze zou wensen dat ze ook maar iets had gevoeld bij hun vertrek, iets anders dan alleen dankbaarheid voor wat tijd alleen met mama en Diinna, voor de vanzelfsprekendheid van andere vrouwen. 

Boekgegevens

Kiran Millwood Hargrave, De vrouwen van Vardø, vertaling: Mijke Hadewey van Leersum, 336 pagina’s (€ 23,99)

Berichten gemaakt 5329

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven