Boekenkrant-schrijfwedstrijd: ‘Van groene vingers en vieze handen’

Van groene vingers en vieze handen is een van de vijf genomineerde verhalen van de Boekenkrant-schrijfwedstrijd 2021. Lisette van Eerten lijkt in eerste instantie alleen maar over een oppervlakkig gesprek te schrijven. Aan het einde wordt duidelijk dat de hoofdpersoon, die toch al geen zin had in dit gesprek, niet blij is met wat haar verteld wordt. De eenvoud siert dit verhaal. Kleine handelingen en korte antwoorden maken goed duidelijk hoe de hoofdpersoon zich voelt. 

Ik schuif mijn fiets in de stalling en zet hem op slot. Een merel hipt een stukje opzij en scharrelt onbekommerd verder, het kopje scheef, de snavel regelmatig tussen de kiezels prikkend.  
“Heerlijk weertje, hè” tettert het achter me. Mijn schouders verstarren, de sleutel prikt in mijn hand. De merel vliegt op. Margot. Dat kan niet missen. Ik moet mijn kaken doelbewust ontspannen voor ik me omdraai, maar dan lukt het me om naar haar te glimlachen.  
“Hai, Margot.” 
Ze laat een grote rieten mand op haar heup leunen en zwiert met haar vrije hand door de lucht om al dat prachtig stralende blauw te beduiden.
“Fan. Tas. Tisch,” stapt ze dichterbij. 
“Ja, we boffen,” zeg ik, terwijl ik de kruiwagen opneem. We slaan het kronkelpad in. Haar rok wappert om haar benen, haar mouwen om haar armen en haar sjaaltje in mijn gezicht. 
“Heerlijk! Echt heerlijk. Er gaat toch niets boven tuinieren in het zonnetje. Wat jij? Dat doet een mens echt goed hoor, lekker buiten bezig zijn. Inspanning en ontspanning tegelijk. Goed voor lichaam en geest, zeg ik altijd maar. En het park knapt toch zo enorm op met het nieuwe vrijwilligerssysteem. Weet je wie zich ook aangemeld heeft?” 
“Wie?” Het zevenblad rukt op tussen de rozen. In bloei zou het aardig combineren, volgens mij.  
“Anke!” “Anke?” Ik zak op mijn knieën en begin de ongewenste planten uit te rukken. 
“Ja, Anke, mijn buurvrouw. Je weet wel, dat blonde ding. Alleen, maar wel met twee kindjes. Ach, meis, wacht even.” Margot vist een paar gebloemde tuinhandschoenen uit haar mand. “Hier, trek die aan. Ja, heus, toe maar.”  
Ze draait rond, overziet de perken aan weerszijden met een kritische blik en duikt dan weer in de mand. Het harkje dat ze opdiept heeft een bloemmotief op het handvat, passend bij de handschoenen. Ze houdt het op als een baton. “Ja, Anke. Ik twijfelde eerst wel hoor, het lijkt mij geen tuintype, maar kennelijk heeft Hans haar enthousiast gekregen.” 
“Hans?” 
“Ja, Hans. Je weet wel, lange Hans, met die zwarte haren.” 
“Ik ken Hans wel.” Zevenblad valt in de kruiwagen, droge korrels aarde tikken tegen de stalen kuip.  
“Nou, het kwam ter sprake dat hij bijna ieder weekend hier hielp en toen wou zij ook wel.” 
“Dus jíj hebt haar enthousiast gekregen.” 
“Nee. Zo frêle als ze is. En zo blond. Nee, ik heb nog wel gezegd hoor, dat het hard werken is. Dat je niet bang moet zijn voor vieze handen.” 
Ik kom overeind, werp een blik in de kruiwagen en ga door naar het volgende perk.  
“Maar,” ze richt het harkje op mij, “zij zei dat ze dat wel begreep. Dat Hans wel eens met van die zwarte blubberhanden op de koffie was verschenen.” 
Die vergeet-mij-nietjes horen hier niet. Misschien kan ik ze voorzichtig uitsteken en meenemen voor in de achtertuin. 
“Op de koffie! Hij komt bij haar op de koffie.” Het harkje priemt. 
“Met blubberhanden.” Ik plof naast de vergeet-me-nietjes, denkend aan Hans’ handen. 
“Ja. Precies. Met blubberhanden. Als je indruk wilt maken op een vrouw, was je die toch wel even eerst.” 
“Misschien wil hij geen indruk op haar maken.” 
“Ja. Nee. Precies. Die moeten toch al aardig vertrouwd zijn, dan.” 
De plantjes liggen slap in mijn hand. 
“Ga je nu al terug?” Het harkje zakt beteuterd naar beneden. 
“Nee, ik wou alleen even -” 
“Wat vind jij daar dan van, zo’n ding, alleen met die twee kindjes en dan Hans op de koffie?” 
“Ik kijk even of ik een potje kan vinden.” 
“Kijk, ik gun het haar natuurlijk, een verzetje op zijn tijd, het is ook vast niet makkelijk, alleen met twee kindjes, en we hebben allemaal toch zo af en toe wat aanspraak nodig, maar ze is wel moeder, hè, en dan leef je toch voor je kinderen, denk ik dan, en hoe vinden die het dat er ineens een Hans op de koffie komt?” 
“Ben zo terug,” mompel ik nog als ik al langs haar gestapt ben. De herinnering aan Hans’ handen om mijn taille brandt door mijn lijf. Het schuurtje voelt benauwder dan ooit. Ik vind een potje, staar er even naar. Dan mik ik de vergeet-mij-nietjes op de composthoop. En de gebloemde handschoenen ernaast. 

Berichten gemaakt 5328

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven