Column Lex Jansen: Kunst en handel

Als uitgever of boekverkoper ben je enerzijds nauw verbonden met de kunst van het schrijven, anderzijds sta je middenin de zakelijke wereld van het geld. Als er niet verkocht wordt, kan er ook niets gepubliceerd worden. Gevolg daarvan is onder andere dat er van auteurs een veel actievere rol verwacht wordt dan vroeger het geval was. Een belangrijk deel van de literaire wereld gaat inmiddels niet meer over het geschrevene, maar over boekpresentaties, optredens, festivals en liefst van al televisieopnames.
Tijdens de lange dagen van de laatste lockdown las ik een uitgave in de serie Privé-domein van De Arbeiderspers. De schrijver was Frans Erens, de titel Vervlogen jaren. Erens leefde van 1857 tot 1935 en was nauw verbonden met de beweging van de Tachtigers. Op pagina 47 vond ik deze zin: ‘De bloem van het geluk is een heel tere plant; zij kan alleen bloeien in een volmaakt ongestoorde zonneschijn, die komt van het innerlijk leven en niet van het uiterlijke.’ Toch konden schrijvers als Kloos, Van Deijssel, of Gorter ook niet zonder inkomsten. Uit de verhalen van Erens blijkt duidelijk dat er altijd een gebrek aan geld was, maar ook dat er steeds weer voor de kunstenaars gezorgd werd. Naar de toelage die één van hen, de fotograaf Willem Witsen, van zijn vader kreeg, werd door allen uitgekeken.

Naar de toelage die één van hen, de fotograaf Willem Witsen, van zijn vader kreeg, werd door allen uitgekeken.

Witsen betaalde niet alleen de diners, maar droeg ook de kosten van een avond in het café en hij zorgde voor onderdak, een plek om te werken, of droeg bij ziekte van zijn vrienden de medische kosten. Het roemruchte bezoek van Paul Verlaine aan Nederland was niet mogelijk geweest zonder de ruimhartige financiële bijdrage van Willem Witsen en Frans Erens en daarmee hebben zij indirect ook de publicatie van Quinze jours en Hollande, het boekje dat Verlaine na zijn verblijf schreef, mogelijk gemaakt. In mijn boekenkast staat nog een vertaling van de tekst, door Karel Jonckheere. Het uiterlijk leven was voor de meeste tachtigers uiteindelijk toch net zo belangrijk als het innerlijke, ook al lijkt dat in sommige teksten ontkend te worden. Als Kloos schrijft: ‘Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten / En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon’ dan lijken we ver weg van welke commerciële invalshoek dan ook, maar in de ‘vervlogen jaren’ waar Erens zo fraai over schrijft, konden de kunsten net zo goed niet zonder enige financiële zekerheid. Ik stel me Gorter voor als gast bij Koffietijd, of Kloos als dwarsdenker in een late night talkshow.

Deze column verscheen eerder in de Boekenkrant, editie juli 2021.  

Berichten gemaakt 5328

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven