Het aanzien van strips

Als je als stripmaker niet alles zelf wilt uitzoeken kun je je aansluiten bij een branchevereniging. In Vlaanderen kan dat sinds 1978 toen het Vlaamse Onafhankelijke Stripgilde (VOS) werd opgericht. In Nederland kwam die mogelijkheid er pas in 2008, met het ontstaan van de Beroepsvereniging Nederlandse Stripmakers (BNS). Achter de schermen dragen zij hun steentje bij aan de strip in de Lage Landen. We vroegen Peter Moerenhout (tijdelijk voorzitter van de VOS) en Pieter van Cleef (voorzitter BNS) wat hun verenigingen zoal doen, maar ook hoe het de Nederlandstalige strip op dit moment vergaat.

Door Sigge Stegeman

Wat mag ik me voorstellen bij een branchevereniging voor stripauteurs en wat voor activiteiten ondernemen jullie?
Peter Moerenhout (VOS): De Stripgilde werd in 1978 opgericht om de sociale en maatschappelijke belangen van stripauteurs te verdedigen en om auteurs met elkaar in contact te brengen. Er werden samenkomsten en workshops georganiseerd, juridische vragen werden beantwoord, we gingen samenwerken met auteursverenigingen en we hielden onze leden op de hoogte met het driemaandelijkse Infoblad.
Pieter van Cleef (BNS): Er zijn slechts 150 tot 200 striptekenaars en -schrijvers actief in Nederland. Een zeer kleine beroepsgroep van ‘vrije jongens’ die nergens bij horen. Stripmakers hebben – net als andere creatieve professionals – te maken met auteursrecht, tariefbepaling, promotie, subsidies, enzovoorts. Kwesties waar je als zelfstandige geen invloed op hebt. Het was hoog nodig dat men een belangenvereniging kreeg.
Daarbij vorm je als vereniging een gezicht voor instellingen, overheden en opdrachtgevers. Zo laat je zien dat stripmakers een serieus vak uitoefenen. Wat dat betreft is het jammer dat we niet wat meer gevestigde auteurs onder onze leden hebben. Zij zouden kunnen dienen als gezicht voor de buitenwereld en hun ervaring zou veel kunnen betekenen voor de jongere leden.

Is er sindsdien veel veranderd?
PvC: De doelstellingen zijn hetzelfde, hooguit zijn de accenten wat veranderd. Na vijf jaar weten de meeste mensen wel wie we zijn en waar we voor staan. De grootste uitdaging is nu om stripmakers én hun strips bij een breder publiek onder de aandacht te brengen.
PM: Op sommige punten is de VOS wat voorbijgestreefd. Er zijn instanties bij gekomen die de belangen van artistieke professionals verdedigen en hun vragen beantwoorden. En je hebt tegenwoordig het kunstenaarsstatuut (een wettelijke regeling) waardoor sommige stripmakers verzekerd zijn van een inkomen tussen opdrachten door.
Er komen ook dingen bij. Zo is er de laatste tijd ophef geweest rond het bewaren van originelen en de vraag “wat te doen met de erfenis”? Daar wordt bij ons ook over nagedacht.
Andere dingen blijven natuurlijk. Het is nog altijd leuker elkaar in het echt te ontmoeten dan op het internet. Onze prijs, de Stripvos wordt nog steeds uitgereikt, de toonmomenten voor jong talent kennen nog steeds een grote toeloop en we beantwoorden nog geregeld vragen van auteurs.

In Vlaanderen is een lichting vernieuwende auteurs opgestaan, met Brecht Evens en Judith Vanistendael als bekendste namen. In Nederland biedt kunstacademie ArtEZ sinds enkele jaren een stripopleiding aan in Zwolle. En in beide landen neemt de aandacht van andere media toe. Nemen daarmee de bekendheid en het aanzien van strips en stripmakers toe?
PvC: Recente cijfers tonen aan dat in 2014 bijna 10% meer titels zijn uitgegeven dan in 2013. En het aanbod is zeer gevarieerd. In elk genre en voor elke doelgroep is iets te vinden, ook van Nederlands fabricaat. Al deze ontwikkelingen ten spijt blijft de waardering voor strips beperkt tot een kleine (en trouwe) lezersgroep.
PM: Toch worden de albums van auteurs als Evens en Vanistendael wel steeds bekender. Televisiezender Canvas besteed aandacht aan hun werk en ook de schrijvende pers pikt hen meer en meer op. Het grote publiek begint langzaam te beseffen dat de strip een medium is, waarin honderden genres mogelijk zijn, met verhalen naar ieders smaak.
PvC: Distributie en zichtbaarheid vormen nog steeds een groot probleem. De traditionele boekhandel wil het gewoon niet in het assortiment opnemen en grote ketens die dat wél doen begrijpen het product niet. Ondanks alle ontwikkelingen is hun stripassortiment nog steeds anno 1987 en maakt het beeldverhaal nog altijd minder dan 1% uit van de totale boekenverkoop. Actief werken aan een renderend, commercieel assortiment in de boekhandel, in samenwerking met kenners en professionals uit het vak, blijft in Nederland achterwege. In Duitsland en Frankrijk zie je de toename in titels en variëteit wel terug in de detailhandel, ook buiten speciaalzaken.

Onlangs werd weer eens alarm geslagen over het feit dat de jeugd niet meer zou lezen. Geldt dat ook voor stripboeken?
PvC: In Nederland zie je dat kinderen graag strips lezen, maar zodra ze de Donald Duck ontgroeid zijn, keren ze het beeldverhaal de rug toe. Voor jonge tieners en ‘millennials’ wordt in Nederland niets geproduceerd en nauwelijks wat vertaald. Dat vacuüm is een typische kip-ei situatie. Enerzijds stappen Nederlandse stripmakers niet in dat gat en anderzijds zitten uitgevers en detailhandel te slapen. Het is safe spelen met kindertitels en publieksfavorieten aan de onderkant, of ‘literair’ en ‘vernieuwend kunstzinnig’ aan de bovenkant.
PM: Jongeren lezen nog wel, maar het zijn er minder. Er is nu eenmaal meer keus. Vroeger kon je bij wijze van spreken kiezen tussen een boek of buitenspelen. Tegenwoordig heb je games, facebook, noem maar op… Daarnaast raken jongeren op een dag geïnteresseerd in uitgaan en het andere geslacht.
Ook Vlaanderen kent weinig strips voor tieners. Wij proberen met ons digitale tijdschrift Stroke in dat gat te stappen. Het kost bijna niets en bundelt verschillende strips. Zo proberen we het aantrekkelijk te maken voor die doelgroep.

Ik heb zelf het idee dat jongeren vooral andere dingen lezen, zoals humor en manga (Japanse strips).
PvC: Manga is een heel nieuw genre, met eigen volgers en nieuw talent.
PM: Als de uitgevers de juiste titels kiezen, het voor een goede prijs aanbieden en wat geld in promotie steken dan komt het wel goed. Dat is niet te veel gevraagd natuurlijk. (Lacht)
PvC: Humorstrips zijn interessant omdat alle populaire titels worden voorgepubliceerd op papier. Denk aan Dating for Geeks, Snippers en Beestjes in de Metro. En Dirkjan in regionale kranten en de Veronica Magazine. Massamedia blijven belangrijk, ondanks de populariteit van de strips op het internet.
PM: In Vlaanderen is Kinky en Cosy vrij succesvol, maar ik vrees dat de meeste kranten bij ons liever kiezen voor Garfield of Hägar. In Stroke hebben we de nodige humor staan, waaronder strips van Michiel van de Pol en Mathieu de Guchteneere.

De meeste auteurs zijn erg actief op het internet.
PM: Vroeger waren er meer bladen waarin je kon publiceren en deden de uitgevers meer moeite om je werk te promoten. Tegenwoordig is er minder geld. Er worden veel meer strips uitgegeven. Het aantal verkochte exemplaren per titel is daardoor lager en de winst dus ook. Er is ook meer keuze aan vrijetijdsbesteding. Games, film, internet… noem maar op. Ook dat zorgt voor lagere verkoopcijfers en minder inkomsten. Voor promotie is haast geen geld meer. Logisch dus dat stripmakers het internet benutten.
PvC: Social media, beurzen en festivals zijn onmisbaar voor stripmakers om hun publiek te bereiken. Ik zie het als een aanvulling, maar soms ook als een noodzakelijk kwaad. Stripmakers horen niet altijd met hun eigen doosjes te leuren. Het is ook fijn als het eens voor je gedaan wordt.

Pieter noemde zojuist stripbeurzen. Ook die lijken populairder dan ooit.
PM: Ik denk dat mensen behoefte hebben aan authenticiteit. Een tekenaar ontmoeten, daar een babbeltje mee maken terwijl hij of zij jouw boek voorziet van een tekening… dat is een belevenis en dat maakt de band die je hebt met je strips alleen maar groter.
Is men in het buitenland ook geïnteresseerd in strips van Nederlandse en Vlaamse bodem?
PvC: Onlangs zijn de rechten van Aimee de Jonghs boek De terugkeer van de wespendief verkocht aan het Belgisch/Franse Dargaud. Ook het werk van Milan Hulsing (Stad van Klei), Typex (Rembrandt) en Erik Kriek (Het Onzienbare over H.P. Lovecraft) doen het goed in het buitenland.
Voor een handvol auteurs is de rest van Europa een belangrijke markt. Het merkwaardige is dat sommige Nederlandse auteurs in Frankrijk of Scandinavië een betere naam hebben dan in eigen land, of daar zelfs hun eerste contracten tekenen. Dat is op zich een gunstige ontwikkeling, maar het is wel zuur dat niemand het hier ziet. In Frankrijk op de nationale televisie komen en in Nederland zelfs nog geen stukje in een huis-aan-huisblad.
PM: In Vlaanderen speelt het Vlaams Fonds voor de Letteren een grote rol. Zij stimuleren en begeleiden vertalingen van de door hen gesubsidieerde albums in het buitenland. Dat zijn vooral de meer artistieke strips als die van Brecht Evens en Judith Vanistendael. Ook bij Ballon Media loopt een goed traject wat betreft vertalingen. Aangezien ze de distributie doen van grote uitgeverijen zoals Dargaud, Le Lombard en Casterman, kunnen zij de Nederlandstalige albums van hun eigen imprint Blloan voorleggen aan deze uitgevers. Sugar van Serge Baeken is daar een goed voorbeeld van.

De VOS is niet alleen een belangenvereniging, maar ook uitgever en jullie werken op een bijzonder manier.
PM: Wij willen de stap zijn tussen uitgeven in eigen beheer en uitgeven bij een “echte” uitgever. De auteurs dragen zelf het financiële risico, maar behouden alle rechten en krijgen een hoog bedrag per verkocht boek. Wij helpen bij het drukklaar maken, bedingen een goede prijs bij de drukker, regelen de distributie, doen aan promotie, zorgen voor signeersessies… Recente voorbeelden zijn Anders – herkenbare tienerproblemen in blitse tekeningen en goede dialogen – en A Song Called City – over magie, met veel actie en een scheut bloot, het neigt naar een Amerikaanse comic.
Iedereen die dat wil mag bij ons uitgeven. Vooraf geven wij advies: uitgeven of niet. Dat hoeft niet eens met de kwaliteit te maken hebben. Een auteur kan fantastisch werk gemaakt hebben, maar als wij denken dat het desondanks niet zal verkopen raden we een uitgave af. Het is niet de bedoeling dat een auteur zijn broek scheurt door via ons uit te geven. We hebben bovendien een soort label dat we willen bewaken. De stripboeken die we uitgeven moeten een bepaalde sfeer hebben, zodat het publiek weet wat ze van ons mag verwachten.
Wil een auteur tegen ons advies in toch via ons uitgeven dan kan dat. Het zal dan alleen niet onder ons eigen label gebeuren.

Je hebt het al een paar keer gehad over Stroke, jullie digitale striptijdschrift tegen betaling.
PM: Stroke is één van onze belangrijkste pijlers. Het verschijnt in verschillende digitale formaten, dus iedereen met een computer kan het lezen. We willen een speerpunt zijn in het onderzoeken van deze nieuwe manier van lezen en zijn momenteel het enige blad in Vlaanderen waar stripauteurs, al dan niet beginnend, ruimte krijgen om te experimenteren en te groeien voor publiek. We hebben de auteurs in het eerste jaargang kunnen betalen voor hun werk. Niet veel, maar in deze tijden is dat voor een stripblad uniek. Als dat nieuws zich verspreid zullen we hopelijk meer materiaal aangeboden krijgen en zal de kwaliteit omhoog gaan. We hebben op dit moment een gratis editie online staan naar aanleiding van de aanslagen op Charlie Hebdo, voor wie het eens wil proberen.
Het aantal abonnees is vooralsnog laag, maar als we de aantallen vergelijken met andere bladen dan is het toch niet slecht. Humo verschijnt in een oplage van zo’n 180.000 stuks. Daarvan zijn ongeveer 250 exemplaren digitaal. Ik schat dat Stroke op dit moment een vijftigtal abonnees heeft. Het is een begin. Nu moeten we vooral luisteren naar de markt en onze naam zien te vestigen.

Doet de BNS dit soort dingen ook?
PvC: De BNS brengt speciale uitgaven uit, zoals een Stripkrant of onlangs nog een bundeling van de strips gemaakt tijdens de 24 Hour Comic Day. Deze zijn gratis verkrijgbaar bij sommige evenementen, en in de iTunes en Google Play stores. Voor een digitaal tijdschrift hebben we nog geen concrete plannen, maar we volgen de ontwikkelingen op de voet.

Jullie zeiden in het begin dat het aanbod inmiddels zo breed is, met voor ieder wat wils. Hebben jullie tips voor lezers die eens wat nieuws willen proberen?
PM: De twee beste strips van Vlaamse bodem die ik afgelopen jaar las waren Sugar van Serge Baeken en Het Zotte Geweld van Joris Vermassen. Sugar is een boek over katten. Weinig tekst, fantastisch getekend en met een avontuurlijke paginaverdeling. Ontroerend, een ware krachttoer. Het Zotte Geweld gaat over een stand-up comedian wiens zus terminale kanker heeft. Ondanks het zware thema is het ook een grappig boek, met zeer goede dialogen en een perfect in elkaar stekend verhaal. Stripliteratuur, zonder vervelend of zwaar te zijn.
PvC: Ik verheug me op Zoociety: De graaicultuurdossiers, het nieuwe album van Peter Koch. Hij tekent veel voor het bedrijfsleven en weet als geen ander de managementcultuur op de hak te nemen. Ook de recent uitgebrachte humoristische ridderstrip Floris van Dondermonde van Remco Polman, is een strip die een breed publiek zal aanspreken.

Hoe zien jullie de toekomst van de Nederlandstalige strip en welke rol hopen jullie daarin te vervullen?
PvC: De grootste uitdagingen voor de strip in Nederland zijn goeie publieksmarketing, zichtbaarheid en verkrijgbaarheid. De toekomst van de Nederlandse strip ligt in handen van de stripmakers zelf. Zij zijn de creatieve verhalenvertellers die nog steeds honderdduizenden lezers hebben, van klein tot groot. De BNS werkt vooral achter de schermen: ervoor zorgen dat aangesloten leden een gezicht krijgen als groep, een podium krijgen, netjes betaald worden en met plezier en erkenning hun werk kunnen doen.
PM: Ik voorspel dat het met de strip een beetje dezelfde kant op zal gaan als met muziek. Enkele titels zullen zeer veel verkopen, de meeste andere juist minder. Uitgevers zullen steeds meer speciale en luxe edities uitgeven voor een klein publiek. Papier wordt minder belangrijk en er zal meer digitaal gelezen worden. Stripwinkels zullen zich ook moeten aanpassen. Door bijvoorbeeld een gezellige atmosfeer te creëren met een kopje koffie erbij of door evenementen te organiseren, zoals signeersessies. Stripmakers zullen meer in eigen handen moeten nemen, contact moeten zoeken met het publiek en hun waren zelf aan de man moeten brengen. De Stripgilde wil op de meeste van die vlakken een rol spelen. Soms zelfs die van voortrekker.

Peter_Moerenhout-275x275Peter Moerenhout (© Charlie de Keersmaecker)

Een korte versie van dit interview verscheen in BKStrips 1.

Meer informatie is te vinden op de site van de BNS en de site van Het Vlaams Stripgilde. De Stroke download je hier.

 

Berichten gemaakt 5329

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven