Boekenkrant-schrijfwedstrijd: Schuif gezellig aan

‘Schuif gezellig aan’ is een van de vijf genomineerde verhalen van de Boekenkrant-schrijfwedstrijd 2021. Oscar Peeze Binkhorst wist ons te overtuigen met het verrassende einde van zijn korte verhaal. Een studente besluit om na een tijdje online contact te hebben gehad met iemand, voor het eerst met hem af te spreken. Hoe is hij in het echt? Zou het na al die keren dat ze op deze manier in de maling genomen was toch een keertje goed aflopen?

Als hij alleen gelogen had over zijn naam was ik daar nog overheen gekomen. Ik bedoel, iemand die Hupsepups of Poepjes heet, zou ook een pseudoniem op een datingsite gebruiken. Daarnaast was ik ook niet eerlijk geweest over hoe ik heette… Maar het ging niet om zijn naam. Ook niet om zijn huidskleur die niet bleek te kloppen. Hij had gelogen over iets veel diepers, iets dat voor mij voorbij al het menselijke ging.

Met één bil tegen een roodwit paaltje had ik staan wachten, en hoopte dat hij ook te vroeg zou komen. Mijn toch maar gestreken roze jurk jeukte op mijn heupen en bovenbenen. Ik krabde. Hij wilde afspreken op de hoek van de Maanzaadstraat, waar de Zonnebloemstraat begon. Dat lag in de buurt waar hij woonde – hij was slecht ter been en reisde liever niet te ver. Ik deed alsof ik het niet erg vond.

Geen van de jongens die langsfietsen herkende ik van de profielfoto. (Dat herkennen bleek achteraf ook niet mogelijk.) Zenuwen, ja, die waren er nog wel, ook al was ik niet bang voor hem; hij was de enige die in twee jaar mijn zelfvertrouwen juist had laten groeien.

Toen ik hem voor het eerst aan de telefoon sprak, dacht ik dat ze weer een grap met me uithaalden. Zijn stem klonk klein en geknepen, alsof hij zijn neus dichthield tijdens het praten. Na de tweede zin schreeuwde ik: ‘Klootzakken!’ Hij kon nog net: ‘Als het leven makkelijk was—!’ zeggen, voor ik wegdrukte.

Ik stond daar, in mijn kamer aan het Schippersplein, krampachtig knijpend in mijn mobiel. Als  het leven makkelijk was… Snel belde ik terug.

‘—zou het niet moeilijk zijn,’ zei ik. ‘Ik dacht dat je iemand anders was, sorry…’

‘Ben blij dat jij wél terugbelt.’

‘Wel?’

‘Het is vaker voorgekomen dat ik na een paar zinnen al geblokkeerd werd.’

Ik gniffelde. ‘Misschien logopedie proberen.’

‘Heb ik geprobeerd. Toen ik klein was deed mijn vader het woord als iemand mij een vraag stelde. Dit is mijn stem. Toen ik m’n baan kreeg was het weer een pré, dus ik zit er niet mee.’

In de appjes had hij niet willen vertellen waar hij werkte. Media, meer kreeg ik er niet uit. Ik herkende zijn profielfoto niet, dus ik gokte op de radio. Toen ik had gevraagd naar welk tijdstip hij in de ether zwom, wilde hij daar ook nog even mee wachten. Eerst zien of het klikte.

‘Maar, klootzakken?’ vroeg hij. ‘Ik neem aan dat je mijn persoonlijkheden niet bedoelde?’

Ik lachte. ‘Nee, ach. Ik ben al een paar maanden weg bij die studentenvereniging.’

‘Welke?’

‘Amphibos. Ze bleven maar kutten. Zelfs na de ontgroening.’

‘Een ontgroening zou ook iets voor mij zijn,’ zei hij. ‘Goed voor de acceptatie.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Persoonlijk dingetje, dat vertel ik nog wel. Maar wat hebben ze gedaan dan?’

Hier twijfelde ik. Nadat ze hondenpoep in mijn jaszak hadden gestopt en ik daar kokhalzend mijn huissleutel uit had moeten vissen, had ik alles op Facebook gezet. Niets over de ontgroening – dat mocht ook niet volgens het contract – maar wel over alles wat daarna was gebeurd. De volgende ochtend was ik uit alle groepen verwijderd. Zelfs mensen waar ik samen mariene biologie mee studeerde, en die niet eens bij Amphibos zaten, hadden me ontvriend.

‘Dit blijft tussen ons?’ vroeg ik.

‘Zonder scalpel gaan ze het niet uit me krijgen.’

‘Even dat beeld uit me schudden… Wat ze hebben gedaan? Los van de dates waarbij niemand op kwam dagen, die keer dat ze een acteur hadden ingehuurd, er ineens een vrouw voor me stond, ze—’

‘Wow, hebben ze dat allemaal geflikt?’

You bet. Het ergste was nog met Willem. Op een vrijdagborrel ontmoet. Leek wel nice, leuk babbeltje.’

‘Beter dan mijn babbeltje?’

‘Hij had zo’n kakaccent. Dan nog liever jouw gekwaak. Maar houd je smoel eens, ik wil praten.’

Mmmhmm!

‘Eerst wilde ik nog afbellen, na die eerdere zooi met mensen van Amphibos, maar ben toch gegaan – een soort hoop, denk ik? Ik had met hem afgesproken in De Landerijen, best chic, kon ik alleen niet betalen. Het zou goedkomen want hij kende iemand in de keuken. Om mij te verrassen wilde hij bestellen. Geen idee wat voor vlees ik gegeten heb. Ik dacht eerst gevogelte, of—’

‘Of hond.’

‘…’

‘Muizenvlees?’

‘Vinden anderen jou wel grappig?’

‘Nou, Tom die – Tom is een vriend van me – Tom vindt die grap over hondenvlees ook nooit leuk.’

‘Ben je op je werk ook zo flauw?’

‘Vrij serieus.’

‘Vast… Maar laat me nu even praten. Willem bleef flessen wijn bestellen, wilde per se een tweede nagerecht. Daarna stond hij op. Ik dacht dat hij ging pissen, maar hij bleef zo lang weg dat ik aan een zwaardere dump begon te denken.

‘Toen ben ik zelf maar gaan plassen. Hij was er nóg niet toen ik terugkwam. Ik wiebelen op mijn stoel. Om me heen stonden mensen op en betaalden. O, en die grijns van die ober, ken je dat? Dan leggen ze de rekening neer met zo’n blik van nee nee, ik wil u niet weg hebben, maar wilt u alstublieft weggaan?

‘En na twee uur – heb twéé uur zitten wachten! – kwam de ober met woorden die bij zijn grijns hoorden. Ik mocht dríéhónderdvéértig euro betalen.’

Hij was stil.

‘Hallo?’

‘Ik denk dat ik het woord klootzakken nu wel kan plaatsen. Had hij zich op de plee verstopt?’

‘Daar heb ik gezocht, zat hij niet. Een week later ben ik toch weer naar de vrijdagborrel gegaan. Willem bleek door zijn keukenvriendje via een achterdeur naar buiten gelaten, en ik werd vanaf toen Miss Piggy de dramaqueen genoemd. Ze wilden zelfs een lied over me schrijven.’

‘Wat smerig! Steffie, ik—’ Hij kreunde op een eigenaardige manier, als iemand die moest toekijken bij een hobbyist die zonder verdoving tanden trok. ‘Laten we dit afspreken,’ zei hij. ‘Als we elkaar zien, schud ik je hand. In mijn hand zal geld zitten. Jij mag besluiten wat we met dat geld doen en jij bepaalt wat we bestellen.’

‘Niet zo raar doen…’

‘Ik kan niet anders dan mezelf zijn.’ Ik beelde er een knipoog-emoticon bij in, zoals hij vaker na zo’n zin appte. Zijn oneliners waren meestal helemaal raak.

‘Misschien heb je je vertrouwen in andere mensen opgezegd,’ zei hij, ‘maar ik kan je een nieuw soort vertrouwen geven.’

‘Hoe?’

‘Met mijn bovenmenselijke schoonheid natuurlijk.’

We vielen allebei een moment stil. Daarna staken we elkaars lach steeds verder aan. Minutenlang konden we niet praten.

‘Ik moet nog iets bekennen,’ zei ik toen mijn middenrif minder pijn begon te doen.

‘Leg maar in mijn handjes.’

‘Ik hoop dat je dit begrijpt, maar na alles met Amphibos heb ik online niet mijn echte naam gebruikt. Ik heet geen Steffie…’

Say no more. Logisch toch! Man, ik zou m’n naam bij de gemeente hebben laten veranderen en naar Limburg zijn verhuisd. Weet je wat, als we afspreken steek ik mijn hand met geld uit, en als je het aanneemt, krijg ik in ruil je echte naam.’

Deal!

Na dat telefoontje twijfelde ik niet meer.

Ik wisselde van bil tegen het roodwitte paaltje en sprong met één voet op en neer. Mijn eerdere ervaringen hadden een olifantenpaadje in mijn brein gesleten. Dat paadje was na iedere mislukking makkelijker gaan lopen, waardoor de zenuwen een automatisme waren geworden; mijn buik werd bijna uit elkaar getrokken van angst.

Toen hij eindelijk aan kwam zweven, had ik eerst niet door dat hij het was. Hij was klein, niet groter dan een kleuter. En hij was niet alleen: hij werd gedragen door een vriend. Zowel zijn benen als zijn armen leken verlamd. Zijn huid was groenig, alsof hij een tropische huidziekte had.

Zijn vriend stak zijn arm voor hem uit, en ik ontdekte twee briefjes van vijftig euro die er met een paperclip aan vastzaten. Traag pakte ik de hand, die niet glad was, of zweterig, het voelde eerder als een stoffige pyjama.

Toen ik hem losliet voelde ik dat het zweet van mijn hand geabsorbeerd moest zijn door die van hem; mijn palm was droog en klam.

Hij verbrak de stilte.

‘Sorry,’ zei hij, ‘ik heb ook gelogen over mijn naam. Je begrijpt denk ik wel waarom.’

‘Jij bent…’

Hij glimlachte vreemd, alsof zijn mond van binnen door een hand werd samengeknepen. ‘Mijn echte naam is De Kikker. Voor de sier zal ik toevoegen dat mijn voornaam Kermit is.’

Ik bleef een tijd in zijn enorme ogen staren. Daarna liet ik het geld los. Ik weet niet of de briefjes naar de grond zijn gedwarreld of weg zijn gewaaid, want ik was de hoek al om.

Mijn studentenkamer kwam ik niet meer uit. Daar wist niemand dat ik bestond. En om daar zeker van te zijn, verwijderde ik de volgende dag mijn Facebookprofiel, en een week later, nadat ik Kermits nummer na het twintigste appje had geblokkeerd, verwijderde ik ook mijn profiel van de datingsite.

Berichten gemaakt 5328

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven