Boekenkrant-schrijfwedstrijd: ‘Kraag’

Marcel Fuchs is met zijn verhaal ‘Kraag’ de winnaar van deze eerste editie van de Boekenkrant-schrijfwedstrijd. Van de 77 deelnemers inzendingen vonden wij zij verhaal eruit springen door de precisie van zijn woorden en de prachtige invulling van het thema ‘contact’. ‘Kraag’ leest als een period piece over deze corona-tijd, dat ook lang hierna nog relevant zal blijven.

Kraag

Stap voor stap, zeggen ze.
Steeds een nieuwe fase. Op mijn leeftijd wil je niet zoveel nieuwe stappen meer zetten. Te veel om aan te wennen. 
Sommige dingen zijn herkenbaar. De lijnen die je in gedachten op straat trekt. De stilte als je anderen passeert.
De neiging om mijn adem op onnatuurlijke momenten in te houden. Maar dat deed ik altijd al wanneer ik achter iemand liep.
Het geluid van de vogels, dat is nieuw.
En de verschrikte blik van de winkelier als ik binnenkom – die heeft de laatste stap nog niet verwerkt.

Alsof ik een spin ben die onder zijn deur door kruipt. 
Wat ik van zijn gezicht zie is grauw. De rest zal niet veel beter zijn. Ik denk dat niemand van ons er beter uit is gaan zien.
Ik zeg goedemorgen. Mijn stem kraakt. Ik had thuis wat moeten drinken, hier gaat dat niet zomaar. De winkelier mompelt wat en gaat met gekruiste armen achter de balie staan. Hij kent mij nauwelijks, hij zal het verschil niet eens gehoord hebben.

Boodschappenlijst. Het verbaast me nog steeds hoe snel ik eraan gewend raakte om geordende boodschappenlijsten te maken. Mijn lijsten waren altijd zoals ze in mijn hoofd opkwamen. Teruglopen in de supermarkt was nooit een probleem, mijn benen zijn nog goed, maar ineens werd de kortste route een zaak van levensbelang.
Een lijst in volgorde van de schappen dus – alleen is het de volgorde van de winkel verderop waar ik niet binnen kwam. Veel te veel om aan te wennen.
Ik schat de breedte van de gangpaden, overzie de indeling van de schappen. Deze winkel is net als ik, de stad is in de loop van de jaren aan ons voorbij gegroeid.
Ik herschik mijn lijst.

In de verte klinkt een sirene. Eerst schrok ik van elke sirene. Daarna begon ik ze te tellen, het was rustgevend om er grafieken van te maken. Later maakte ik geen grafieken meer en was de schok ook weg, onderhuids gekropen, als ruis op mijn zenuwen.
Onwillekeurig schraap ik mijn keel. De winkelier schiet overeind alsof hij zich aan iets gebrand heeft. 
Ik maak een verontschuldigend gebaar. ‘Hooikoorts.’
Niet zeker of dat weer een geaccepteerd excuus is. Een tijd lang konden hooikoortspatiënten zich niet buiten vertonen, zelfs toen het nog mocht. 
‘Bent u al lang weer open?’ vraag ik.
Hij spreidt zijn handen.
‘Heeft u gemberwortel?’
Hij kijkt alsof hij allerlei ideeën heeft over iemand die juist nu behoefte heeft aan gemberwortel. Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik ben sinds gistermiddag weer open.’
Ik bekijk de blikjes groenten.
‘Zocht u verder iets speciaals?’ 
Nu zie ik ook de zweetdruppels op zijn voorhoofd. 

Geschuifel naast me. Een oude vrouw, ouder dan ik in ieder geval. Haar mondkapje hangt te laag, dus ik zie genoeg om haar leeftijd in te kunnen schatten.
‘Meneer, kunt u bij de bovenste plank?’
Ze is dichtbij. Ik ruik haar, ze ruikt naar stof en plakkerige snoepjes. Mijn reuk lijkt de afgelopen weken sterker geworden.
Die man met dat sjaaltje rook ik destijds niet, hoewel hij vlak naast me kwam staan, klaar om in het gat te springen dat ik tussen mezelf en mijn voorganger in de rij had laten vallen. Het was in een winkel als deze, maar met smallere gangpaden. Voordat de beperkingen begonnen.
Hij droeg een vlekkerige jas, een mutsje van onbestemde kleur. En dat obsceen fleurige sjaaltje, alsof hij iedereen zijn vrolijker tijden van weleer wilde inwrijven.
‘Wilt u afstand houden,’ zei ik. Lastig om een grens te trekken als je je hoofd moet afwenden.
Hij keek me aan, trouwhartig, zonder zichtbaar benul van richtlijnen. Hij kwam nog wat naar voren. Zijn mouw schuurde tegen de mijne.
Dat was het moment dat ik hem in gedachten tegen de grond sloeg. In gedachten ben ik altijd beter in dat soort dingen geweest.
De vrouw is inmiddels een stap achteruit gegaan.
‘Wat heeft u nodig, mevrouw?’
‘Dat pak crackers alstublieft.’
‘Deze?’ Ik geef het met gestrekte arm aan. Ze glimlacht. Ze heeft een simpel pak crackers nodig. Geluksvogel.
Verderop pakt ze nootjes, kaas, wijn. Vast een feestje.

Ze zeiden dat er veel feestjes waren in het begin. Om een lange neus te  trekken, even op het randje te balanceren.
Toen een tijd niets, behalve hamsteren en van de schrik bekomen.
Daarna hoorde je over ontmoetingen per computer, werken op afstand, jongelui die juichten over hoe dat de wereld kon veranderen.
En er was een golf van behulpzaamheid. Boodschappen, bemoedigende woorden, alles voor wie daar zelf niet aan kon komen.
Maar hoeveel kun je vieren, hoe lang kun je mensen helpen? Terwijl de weken zich voortsleepten begon het wachten, groeide de angst als pus in een zweer, en zocht ik geruststelling in het lezen van berichten op het internet, totdat dat kapot ging.

De winkelier kucht nu zelf. Hij rekent de crackers en de wijn af.
Het is een vreemde dans. De oude vrouw drentelt, komt dan weer dichterbij. Er staat geen pvc-scherm en achter de toonbank heeft hij niet de ruimte om afstand te houden.
Ik hoor haar beginnen over het weer.
Een pot pindakaas in mijn kar. Nog een keer alles natellen. De woorden op de lijst zijn magnetisch geladen, bij elk ervan schiet mijn aandacht weg.
Uiteindelijk stap ik op de kassa af. De winkelier kijkt de oude vrouw nog na. Hij wriemelt aan zijn geïmproviseerde mondkapje.
‘Het is vreemd, niet waar?’ zeg ik. 
Hij kijkt naar het karretje alsof hij de pot pindakaas wil overhalen uit zichzelf op de balie te springen. 
‘Te veel voor een mens alleen,’ mompelt hij.
Hij heeft gelijk, maar ik zeg, ‘Het wordt vast beter.’ Ik zet de boodschappen op de balie en stap weer achteruit.
De winkelier reikt naar het pak melk dat het dichtst bij hem staat. Dan ademt hij abrupt in. Het maakt een schurend geluid. Zijn ogen worden wijd en hij zakt in elkaar.

Daniel was de eerste die het kreeg, Daniel van driehoog. Niets aan de hand, riep hij door het open raam, en van afstand was ook niets aan hem te zien. Maar op de vijfde dag gingen de gordijnen dicht. Twee dagen later klonk een sirene op het parkeerterrein en drongen mannen in groene pakken met een brancard het gebouw binnen. 
De eerste keren stond iedereen nog voor het raam te kijken, en belde rond of iemand in het trappenhuis iets had gezien. Maar het was steeds hetzelfde, zeiden ze. Een laken. Helmen waarachter je geen ogen kon zien. Lege pakken zonder mensen erin.
Uiteindelijk ging niemand meer kijken.
Ik had gedacht dat ik nog banger zou worden, maar er kwam vooral matheid. Kruisjes zetten op de kalender. Stilte. 
En verbazing als iemand luidkeels over heropening begon.

Ik ben al haast buiten als het door me heen schiet. Dit is niet wat ik denk.
De winkelier ligt roerloos achter de balie. 
Een verschrikkelijke traagte overvalt me, mijn bloed is van stroop. In de verte rinkelt een tram. O ja, die rijden weer normaal. Dichterbij klinkt het getjak van een zwerm kauwen. Nooit weggeweest, die beesten. Wat blijft is achteraf altijd heel voorspelbaar.
Dan dringt wat licht in mijn hersenen door. Iets doen. Pols voelen? Reanimeren? Even de gedachte aan beademen maar die verdwijnt weer.
112 bellen?
Verbazingwekkend hoe snel sommige instinctieve reacties verdwenen zijn.
Ik toets de nummers in. Tot mijn verrassing heb ik direct iemand aan de lijn.
Een vrouwenstem, vreemd om te horen. Ze klinkt koel en beheerst, directief als ik aarzel. Prettig.
Heeft de persoon een polsslag? U kunt de pols voelen, meneer, dat kan geen kwaad. 
Ik vertel dat er een pols is, maar zwak en heel snel.
Ademt de persoon nog?
Ik aarzel.
Heeft u een spiegeltje, meneer? 
Ik staar naar het masker van keukenpapier op zijn gezicht. Er zitten donkere vochtplekken in. Er zal hier vast een spiegeltje zijn, zo’n winkel is het wel. Maar ik zeg nee, er is geen spiegeltje.
Ze is even stil.
Dan zegt ze dat de collega’s van de ambulance onderweg zijn. Kunt u de sirene horen?
Ja, ik kan de sirene horen.

Terwijl de ambulancebroeders de winkelier op de brancard vastsnoeren kijk ik vanuit de deuropening toe. Ze zien bleek, ze hebben wallen onder hun ogen, maar ze hebben tenminste ogen. Geen helmen. 
En ze zijn niet groen. Onder hun mondmaskers dragen ze een gele hes met een blauw kraagje. Fris, geruststellend lichtblauw. Ik kan mijn blik er niet van afhouden.
‘Wat een prachtige kleur.’
Ze kijken op. ‘Wat?’ zegt de dichtstbijzijnde.
‘Dat blauw.’
‘Welk blauw?’
Ik wijs naar het kraagje. Ik wil het aanraken, maar ik wijs. 
Hij probeert langs zijn masker naar beneden te kijken. Schudt dan zijn hoofd en knikt naar zijn collega. Ze rijden de brancard naar buiten.
‘Bedankt,’ zeg ik nog.
Met een rustige beweging schuiven ze de winkelier de ambulance in.
‘We doen gewoon ons werk, meneer. Redt u het verder?’

Een vraag waar ik even over moet nadenken.
Maar zij hebben haast.
Dus zeg ik ja, ik red het verder wel.

Dit verhaal verscheen eerder in de Boekenkrant, editie juni 2020. 

Berichten gemaakt 5324

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven