De onverwoestbare Amerikanen

Marcel van Ool is Adviseur landschap en cultuurhistorie bij Staatsbosbeheer. Speciaal voor deze themapagina’s over de natuur geeft hij ons een kijkje in de geschiedenis van het Amerikaanse natuurboek.

Het ontstaan van het natuurboek hangt samen met de geschiedenis van de Verenigde Staten. Europeanen die Amerika koloniseerden beschouwden de gebieden aan de andere kant van de oceaan als ‘de nieuwe wereld’. Voor de mensen die er al woonden en Indianen genoemd werden, was en is dat een pijnlijke zaak. Maar het besef van een maagdelijk continent hield voor veel nieuwkomers en hun nazaten een haast Bijbelse belofte in. We zijn dan wel verdreven uit het paradijs, maar hier ligt een kans opnieuw werk te maken van de goddelijke opdracht de aarde te onderwerpen, zo was de redenering. En deze keer was er voor iedereen de mogelijkheid om een stuk grond te bezitten.
In de negentiende eeuw zagen sommigen al dat landhonger, overmatig kappen van wouden, mijnbouw en jagen voor de sensatie vooral het oosten van de Verenigde Staten dreigden te veranderen in een volledig gecultiveerd landschap. De verdere verwoesting van een in hun ogen nog onaangetast land, moest een halt worden toe geroepen: de natuurbescherming was geboren. Wat opvallend is, is dat die een stroom aan literaire klassiekers opleverde die nog steeds inspireren. De werken zijn uitermate divers – er zijn naast romans ook nauwgezette dagboekaantekeningen, experimentele gedichten en zelfs wetenschappelijke verhandelingen – maar allemaal zijn ze gekleurd door een bijna mythisch besef van de heelheid van de schepping. Anders gezegd: de mens maakt deel uit van de natuur en kan die verbondenheid als een voortdurend wonder ervaren. Dat heeft een ethische implicatie: je moet die natuur dan wel respecteren. Kort en goed: you can’t have your cake and it eat it too.

Eén van de eersten die een eenvoudig leven in en met de natuur bepleitte was Henry David Thoreau (1817-1862). Van juli 1845 tot september 1847 verbleef hij in de bossen van Walden Pond in Concord bij Boston. Hij schreef er Walden or life in the woods over. Zeker, dat werk is een beetje geromantiseerd, maar niet minder invloedrijk. Hij noteerde:

In short, I am convinced, both by faith and experience,
that to maintain one’s self on this earth is not a hardship but a
pastime, if we will live simply and wisely.

John Muir (1839-1914) is de belangrijkste natuurbeschermer van de negentiende eeuw. Hij kreeg zowel politici als het grote publiek in het oosten van de Verenigde Staten ervan overtuigd dat enorme stukken natuur ten westen van de Rockies de status van National Park moesten krijgen. Het wereldberoemde Yosemite National Park is een direct gevolg van zijn campagne. Bij Muir is de Yosemite Valley een tempel, de wiegende dennen bidden tot God, het evangelie is er uitgedrukt in graniet, een bemoste steen wordt een altaar. ‘De plek scheen mij toe als heilig, waar men God hoopt te zien,’ schreef hij.
Het kan ook minder lyrisch, maar nooit verliezen schrijvers uit het oog dat het om een geheel gaat. In 1949 verscheen van Aldo Leopold (1887-1948) A sand county almanac waarin hij een ethiek uiteenzet over de omgang met het land: ‘Iets is goed wanneer het zich richt op de instandhouding van de onderlinge samenhang, de stabiliteit en de schoonheid van de gemeenschap van leven. Iets is verkeerd wanneer het daartegen ingaat.’ Toen staatssecretaris Henk Bleker een aantal jaar geleden riep dat een aardappelveld ook natuur is, en daarmee impliceerde dat verdere natuurbescherming wel achterwege kon blijven, bracht Staatsbosbeheer een pamflet uit dat gebaseerd was op het gedachtegoed van Leopold.

Er is zelfs wetenschappelijke literatuur die het tot klassieker voor een groot publiek schopte: Silent Spring (Een Dode Lente) van Rachel Carson (1907-1964) uit 1962. Alhoewel ze flink werd tegengewerkt door ‘de industrie’ toonde ze aan dat overmatig gebruik van pesticiden leidt tot bioaccumulatie: kleine beestjes die bespoten bladeren aanvreten worden gegeten door vogels en knaagdieren, die op hun beurt voedsel zijn voor grotere dieren, en zo hoopt gif zich op. Ook Carsons boek gaat overduidelijk over verbanden in een geheel. Niet voor niks brengt Penguin het nog steeds uit als ‘modern classic’.
Er zijn nog veel meer natuurboeken, maar ik sluit af met één schrijver die niet ongenoemd mag blijven. Hij vernieuwde de Amerikaanse poëzie en gaf die een eigen geluid: Walt Whitman (1819-1892). In Song to myself (opgenomen in Leaves of grass, 1855) is hij onbeschaamd en sensueel wanneer hij zijn verbondenheid met het land bezingt. Uiteindelijk valt hij zelfs samen met dat land:

I bequeath myself to the dirt to grow from the grass I love,
If you want me again look for me under your boot-soles.

Dit artikel verscheen eerder in de Boekenkrant, editie mei 2016

Berichten gemaakt 5315

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven