Boekfragment: Wie denk je wel dat je bent?

In de nieuwe zenuwslopende YA-thriller van Kaat De Kock gebeurt er iets vreemds wanneer de 18-jarige Eva ’s avonds de hond uitlaat.

‘Ga maar, jongen,’ zeg ik en ik laat Yoda los. Hij rent vrolijk weg.
Meestal neem ik een boek mee. Als het donker is, kijk ik vaak een filmpje op mijn telefoon op het bankje in de wei. Ik praat ook met de andere baasjes, maar stiekem ben ik blij als ik hier alleen ben en probeer ik het ook zo te timen. Die andere baasjes zijn best vriendelijk, maar ik heb geen behoefte aan vriendschap met andere mensen enkel en alleen omdat ze ook een hond hebben. Laat mij maar lekker met rust.
Yoda vindt het wel jammer dat hij vanavond geen speelkameraadjes heeft, dus gooi ik zijn bal telkens weer weg terwijl ik mijn teksten blijf studeren. Dat spelletje wordt Yoda nooit beu.
Na een halfuurtje krijg ik het koud. Ik gesp Yoda onder wild protest weer vast. Intussen is het helemaal donker geworden. Ik sleep Yoda, die de eerste helft van de terugweg nog altijd probeert me mee terug naar de hondenweide te trekken, achter me aan.
‘Kom, jongen,’ zeg ik terwijl ik achteromkijk. ‘Ik heb het koud. Moet dit getrek nu echt elke dag?’
Bam.
Plots bots ik keihard tegen iemand op.
‘Sorry, ik had u niet gezien,’ zeg ik tegen de man.
‘Geeft niet,’ glimlacht hij.
Dan verstart hij. Zijn mond valt open. Hij zegt niets, maar steekt zijn hand uit naar mijn gezicht.
Ik deins achteruit.
Creep, denk ik en snel wandel ik door.
Ook Yoda voelt duidelijk aan dat er iets aan de hand is, want nu volgt hij me braaf op de voet.
Ik kijk even achterom en zie dat de man nog altijd naar mij staat te staren. Gelukkig staat hij wel nog steeds op dezelfde plek. Hij is me niet gevolgd.
‘Jezus,’ zeg ik als ik binnenkom en Yoda losmaak.
Die gaat, zoals na elke wandeling, liggen mokken in zijn mand. Ik weet dat hij over een kwartiertje alweer vergeten is dat hij eigenlijk boos was en tussen mama en mij in op de bank zal komen liggen. Het is een regel die we welgeteld een halve dag hebben volgehouden: geen honden op de bank.
‘Wat is er?’ vraagt mama.
‘Er was een vent die raar deed op straat. Beetje eng.’
Ik gooi mijn jas op de berg. Zo noemen we de kapstok sinds hij onzichtbaar is geworden onder het grote aantal jassen en sjaals dat mama en ik blijven kopen. Sommige vrouwen hebben iets met schoenen, andere met tassen, wij hebben iets met sjaals en jassen. Tot grote ergernis van papa, die nooit een van zijn twee jassen (een voor de winter en een voor de zomer) vindt.
‘Wat deed hij dan?’
‘Niet veel eigenlijk. Hij staarde raar naar mij en daarna wilde hij mijn gezicht aanraken. Ik denk dat hij niet goed wijs en verder ongevaarlijk was, maar als je daar zo alleen in het donker loopt…’
‘Bel me maar als je hem nog eens tegenkomt, dan kom ik naar je toe.’
‘Mam, dat hoeft niet. Ik heb al ergere dingen meegemaakt.’
‘Echt? Hoezo?’
Mama zit plots recht op de bank.
Oeps.
‘Ik heb het je niet verteld omdat ik bang was dat je ongerust zou worden.’
‘Je beseft toch dat ik veel ongeruster ben als ik weet dat je dingen voor me verzwijgt dan als je ze me gewoon vertelt? Wat is er dan gebeurd?’

Boekgegevens

Kaat de Kock, Wie denk je wel dat je bent?, Uitgeverij Clavis, 140 pagina’s (€ 14,95)

Dit boekfragment verscheen eerder in de Boekenkrant, editie augustus 2019

Berichten gemaakt 5324

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven