Boekfragment: Stella

De jonge Friedrich vertrekt in 1942 naar Berlijn. Daar wordt hij verliefd op de mysterieuze Kristin. Maar al gauw blijkt dat haar echte naam Stella Goldschlag is…

In 1922 veroordeelde een rechter Adolf Hitler tot drie maanden gevangenisstraf wegens landvredebreuk, een Engelse onderzoeker ontdekte het graf van Toetanchamon, James Joyce publiceerde zijn Ulysses, de Communistische Partij van Rusland koos Jozef Stalin tot secretaris-generaal en ik werd geboren.
Ik groeide op in een villa net buiten Choulex bij Genève, met ceders ervoor, zeventien morgen land en linnen gordijnen voor de ramen. In de kelder lag een loper waarop ik leerde schermen. Op zolder leerde ik cadmiumrood en Napels geel te herkennen aan de geur, en hoe het voelde om met een
stok van gevlochten rotan te worden geslagen.
Daar waar ik vandaan kom, beantwoord je de vraag wie je bent met de namen van je ouders. Ik zou kunnen zeggen dat mijn vader in de derde generatie aan het hoofd stond van een onderneming die fluweel uit Italië importeerde. Ik zou kunnen zeggen dat mijn moeder de dochter was van een Duitse grootgrondbezitter, die zijn bezit had verloren omdat hij te veel armagnac dronk. ‘Verzopen,’ zou mijn moeder zeggen, wat niets afdeed aan haar trots. Ze vertelde graag dat de hele leiding van de Zwarte Rijksweer op zijn begrafenis aanwezig was geweest.
’s Avonds zong mijn moeder slaapliedjes over vallende sterren, en als mijn vader op reis was en mijn moeder haar eenzaamheid verdronk, liet ze in de eetkamer de tafel tegen de muur schuiven, legde schellakplaten op en danste Weense walsen met mij. Ik moest ver omhoogreiken om mijn hand op haar schouderblad te leggen. Ze zei dat ik goed kon leiden. Ik wist dat ze loog.
Ze zei dat ik de mooiste jongen van Duitsland was, hoewel we niet in Duitsland woonden. Soms mocht ik haar haar kammen met een kam van buffelhoorn, die mijn vader voor haar had meegebracht, en ze zei dat het moest aanvoelen als zijde. Ze liet me beloven dat ik, als ik later getrouwd was, het haar van mijn vrouw zou kammen. Ik bestudeerde mijn moeder in de spiegel, hoe ze met gesloten ogen voor me zat en hoe haar haar glansde. Ik beloofde het. Als ze in mijn kamer kwam om welterusten te zeggen, legde ze haar handen op mijn wangen. Als we gingen wandelen, hield ze mijn hand vast. Als we de bergen in trokken en zij daarboven zeven of acht borrels dronk, was ik gelukkig omdat ik haar mocht ondersteunen bij het afdalen.
Mijn moeder was een kunstenares, ze schilderde. In onze hal hingen twee van haar schilderijen, olie op linnen. Een stilleven, groot formaat, waarop tulpen en druiven te zien waren. En een klein schilderijtje, het achteraanzicht van een meisje met haar armen op haar onderrug gekruist. Ik keek er lang naar. Op een keer probeerde ik mijn vingers net zo over elkaar te kruisen als het meisje op het schilderij. Het lukte niet. Mijn moeder had zo’n onnatuurlijke verdraaiing van de polsen afgebeeld, dat bij iedere echte persoon de botten gebroken zouden zijn.
Mijn moeder had het vaak over hoe goed ik later zou zijn als schilder, en maar zelden over hoe zijzelf schilderde. Als het laat werd, vertelde ze hoe gemakkelijk schilderen haar in haar jeugd was afgegaan. Ze had zich als jong meisje aangemeld bij de Algemene Schilderschool van de Weense kunstacademie en was bij het toelatingsexamen gezakt op houtskooltekenen. Maar misschien was ze wel geweigerd omdat er in die tijd nauwelijks vrouwen aan de academies mochten studeren. Ik wist dat ik er niet naar mocht vragen.

Boekgegevens

Takis Würger, Stella, vertaling: Goverdien Hauth-Grubben, Uitgeverij Signatuur, 192 pagina’s, (€ 19,99)

Dit boekfragment verscheen eerder in de Boekenkrant, editie 6 mei 2019

Berichten gemaakt 5323

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven